Archief voor de ‘Fictie’ Categorie

Joris en de inbrekers

Geplaatst: 22 april, 2017 in Blog, column, Fictie
Tags:, ,

Op een kwade nacht werd er ingebroken in het huis van Joris. Joris werd wakker van het gerommel in de kamer. Joris, angstig als hij was, verroerde zich niet en hield zijn adem in. Stel je voor dat de inbrekers hem zouden vinden en…
Joris hoorde hoe de inbrekers de trap op liepen en zijn slaapkamerdeur openden. Joris zweette peentjes en wilde al om genade smeken.
Een van de inbrekers lachte en stapte op Joris af die zich nog dieper onder de dekens probeerde te verstoppen: ‘Doe me alsjeblieft geen pijn…’
‘Wij zijn nep-inbrekers,’ zei een van de inbrekers plechtig: ‘In samenwerking met de politie breken wij in in huizen om de mensen te wijzen op het gevaar van inbrekers.’
Joris bedankte de nep-inbrekers en beloofde dat hij voortaan beter zou opletten als hij iets hoorde en er misschien ingebroken werd.

Sindsdien slaapt Joris niet zo lekker meer als vroeger; dat is maar goed ook want voor je het weet staat er een echte inbreker voor je neus en een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Na het ‘DNA Onbekend debacle‘ met Caroline Tensen besloot Joris om zélf zijn DNA te laten onderzoeken. Voor €100 had je een DNA-kit die je kon vertellen wat voor ziektes je kon krijgen en waar je voorouders vandaan kwamen. Daarom spaarde Joris €10 per maand, en vandaag was het zover. Joris had zijn €100 bijeen gespaard!

Door alle spanningen rond het gedoe met DNA Onbekend had Joris last van zijn darmen gekregen. Na een bezoekje bij de dokter, die Joris wist te vertellen dat het iets met ‘de zenuwen’ te maken had kreeg Joris, voor de zekerheid, een kit mee ter controle op darmkanker.

Het toeval wilde dat Joris op de dag dat hij thuiskwam met zijn darmkanker-kit zijn DNA-kit ontving. Joris hoorde de brievenbus kletteren op het moment dat hij doende was met zijn darmkanker-kit. En Joris sprong een gat in de lucht toen hij besefte dat hij eindelijk zijn DNA kon opsturen naar het lab.

Maar je raadt het al. Door alle opwinding haalde Joris zijn DNA-kit en zijn darmkanker-kit door elkaar. In alle opwinding nam hij een monster van zijn ontlasting voor zijn DNA onderzoek en stuurde hij speeksel naar het lab dat hem zou controleren op darmkanker.

Een maand later kreeg Joris bericht van het darmkanker-lab dat hij toch echt zijn ontlasting moest opsturen en dat hij daarom een nieuwe kit kreeg toegestuurd.

Rond dezelfde tijd kreeg Joris bericht van het DNA-onderzoek waarin werd vermeld dat Joris verwant was aan bloemkool, aardappelen en runderen waarvan men niet zeker wist welk ras het zou kunnen zijn. Wat ziektes betrof moest Joris vooral uitkijken voor BSE, ook wel gekke koeienziekte genaamd.

Het leek Joris wel stoer om te gaan klagen over zijn vader bij DNA Onbekend. Caroline Tensen had belangstelling voor de brief van Joris, waarin hij vertelde over zijn verdrietige jeugd en de slechte ervaringen met zijn vader die het zo goed bedoelde. Joris wilde weten of zijn vader wel zijn échte vader was.

Caroline Tensen kwam bij Joris op bezoek. Joris vertelde dat zijn vader nog nooit trots op hem was geweest, dat zijn vader nooit aanwezig was met ouderavond, dat zijn vader niet van hem hield en dat zijn vader misschien niet zijn echte vader was. Dat Joris niet gehuild had bij de begrafenis van zijn vader.caroline-tensen-presenteert-tegenhanger-mooiste-meisje-van-klas

Caroline Tensen luisterde belangstellend en vroeg Joris of hij daar niet verdrietig van was geworden. Caroline Tensen vroeg of Joris ook moest huilen nu hij wist dat niemand van hem hield. Caroline Tensen keek Joris met grote verdrietige ogen aan. Maar hoe Joris ook zijn best deed, het lukte het Joris niet om in tranen uit te barsten. Zelfs niet voor Caroline Tensen, zelfs niet voor DNA onbekend.

‘Hoe voel je je nu, nu je weet dat niemand van je houdt?’, probeerde Caroline Tensen nog, ‘nu je weet dat iedereen een hekel aan je heeft en niemand iets met je te maken wil hebben?’

Maar wat Caroline Tensen ook probeerde, Joris hoefde niet te huilen. De camera’s gingen uit. De lampen gingen uit. Caroline Tensen was diep teleurgesteld in Joris en vertrok zonder Joris ook maar een hand te geven. Zonder ook maar één keer een troostende hand op de knie van Joris te leggen. Zonder een DNA-monster te nemen van het wangslijm van Joris.

Toen iedereen weg was ging Joris verdrietig in een hoek van de kamer zitten. Hij voelde zich een mislukkeling. Joris voelde een traantje opwellen. Maar Caroline Tensen was allang weg; Joris was veel te laat met zijn traan. Je begrijpt dat dat Joris best wel een beetje verdrietig maakte.

Sinterklaas kwam aan in het dorp waar Joris woonde. Joris dacht even terug aan de tijd dat hij in Sinterklaas geloofde. Aan de tijd dat dat de goede sint écht was, zijn baard écht, zijn staf écht, zijn boek met aantekeningen, écht. Rond zijn veertiende leerde Joris dat Sinterklaas een kinderfeest was en dat de goedheiligman niet bestond. Joris was deels verdrietig en deels opgelucht. Nu begreep hij dat het niet aan hem lag dat hij nooit cadeautjes kreeg van Sinterklaas. Het was omdat zijn lieve vader geen centjes had voor Joris om te besteden. Joris pinkte een traantje weg: ‘Wat zal pappa een verdriet hebben gehad omdat hij geen geld had om cadeautjes voor zijn zoon te kopen.‘ Joris vermande zich en keek naar de intocht van de sint. Hij keek naar de pieten zo zwart als roet. Sinds Joris niet meer in de sint geloofde viel het Joris op dat de pieten zwart geschminkt waren en met rare stem spraken. Hij vroeg zich af hoe het mogelijk was dat hij dat niet zag toen hij nog in Sinterklaas geloofde. ‘Maar ja, als je groot bent begrijp je zoveel niet,’ bedacht Joris wijs en hij keek naar de zwart geschminkte pieten die met rare stem joelden. Joris schudde zijn hoofd: ‘Vandaar dat Sinterklaas een kinderfeest is.

Goedemorgen

Geplaatst: 10 november, 2016 in Blog, Fictie
Tags:

In mijn straat woont een trol. Hij heeft een huis gekocht waaronder hij een hol heeft gegraven om te kunnen wonen. Hij lijkt net een mens als je hem ziet, vriendelijk, beleefd en hij houdt zijn tuin netjes. De trol die in mijn straat woont laat mij altijd schrikken op onverwachte momenten. Iedere ochtend als ik langs zijn huis loop zegt hij op indringende toon: ‘goedemorgen.’ En ik schrik dan van die trol die buiten, voor zijn huis, zeg maar hol, op zijn klapstoeltje zit met een sigaret in de mond en dan net doet alsof hij wacht op zijn collega met wie hij naar zijn werk gaat. Jaja. Dan zie ik zijn valse lachje, want hij wéét dat ik schrik. Want ik zweer je, een seconde voor hij ‘goedemorgen’ zei zat daar nog niemand, zat hij in zijn hol te gluren tot hij mij, zijn slachtoffer, zag. Vandaag zei ik er wat van: ‘Je laat me schrikken!’ Hij excuseerde zich beleefd maar ik weet zeker dat hij er niets van meende. Daarom besloot ik de politie te bellen: ‘Goedemorgen…’

FUCK!!

Slokje op…

Geplaatst: 11 augustus, 2016 in Blog, Fictie
Tags:

Ik werd met een knallende hoofdpijn wakker. Droge mond, dorst. Ik opende mijn ogen en struikelde naar de badkamer en hield mijn hoofd onder de kraan. Gulzig dronk ik zoveel water als ik kon. En deed een plas. Ik rook de alcohol in mijn urine en de zenuwuiteinden van mijn urinebuis stuurden een brandalarm naar mijn hersenen. Ik voelde hoe mijn maag zich wilde omkeren; ik stak een vinger in mijn keel. Nu nog even tanden poetsen en douchen.

Ik ruimde de rommel op en bakte 2 eieren. Kapotte dooier, aan 2 kanten gebakken. De telefoon rinkelde. Ik nam niet op; mijn keel voelde als schuurpapier en bovendien had ik een antwoordapparaat. Ik beluisterde het bericht meerdere malen. Het was een zacht gehijg, waarschijnlijk van een mevrouw. Ik wiste het bericht. Wat een muts.

Ik wilde net beginnen aan mijn eerste borrel om de alcohol van gisteren weg te spoelen toen de telefoon weer ging. Ik nam op en hoorde weer dat gehijg. Hallo? Ik hoorde een voorzichtige klik. De muts had opgehangen. Ik sloeg mijn borrel achterover en nog een. En nog een. Daar word je weer mens van.

Het geklop op de deur maakte me wakker. Ik keek op de klok. Wie had mijn middagdutje verstoord? Ik strompelde naar de deur en keek door het gaatje. Niemand. Ik wilde me op de bank laten vallen om verder te gaan dutten maar er werd weer geklopt. Dit keer harder. Veel harder. Ik deed de deur open. Weer niemand. Daar was dat gehijg weer. Hallo?

Ik sloot de deur. Nam een borrel en nog een. Nu nog een Irish coffee. Ik sloot mijn ogen. Tijd voor een dutje. Maar ik hoorde dat gehijg weer. Ik besloot dat het een delirium was en beloofde mezelf binnenkort te stoppen met drinken. Na het weekend of zo. Maar nu hoorde ik niet alleen dingen, ik voelde nu ook iets. De rits van mij broek werd naar beneden gedaan. En de knoop van mijn broek werd losgemaakt.

Opeens was ik klaarwakker. Er werd in mijn kruis gegraaid. Geknepen. Aan mijn lul gezogen. Ik zag niets of niemand. Ik hoorde alleen dat gehijg. Ik werd door een entiteit verkracht. Ik raakte in paniek. Ik voelde dat er een hoogtepunt op komst was. Een hoogtepunt die ik absoluut niet wilde. HELP! 

Maar ik kreeg een orgasme. Eindelijk zag ik wie mij tot een orgasme dwong. Een afzichtelijke entiteit had de liefde met mij bedreven. Ik voelde me misselijk worden. En ik hoorde hoe ze zachtjes hijgde. Ik zag hoe mijn zaad uit haar geslachtsorgaan droop. Ik moest braken van wat ik zag.

Ik nam een lange douche. Ik voelde me vies en verkracht, aangerand. Mijn zaad in dat afzichtelijke wezen. Ik deed schone kleren aan en ruimde de rommel op. Ik nam een glas water. En een borrel en nog een. Ik voelde me wat beter. Nog maar een borreltje. Voor ik het wist was ik weer in slaap gevallen.

Tot mijn opluchting hoorde ik niets meer van die heks. Geen telefoontjes, geen geklop. Ik besloot het stoppen met drinken voorlopig nog even uit te stellen. Zoveel zuip ik nu ook weer niet. 

De tijd verstreek en moest stoppen met drinken van de dokter. Suikerziekte en levercirrose. Ik was doende een naald in mijn buik te prikken om mezelf was insuline toe te dienen. De telefoon ging. Gehijg door het antwoordapparaat. Ik vloekte en tierde. Even later ging telefoon weer. Ik nam op. Weer dat gehijg. Godverdomme!

Er werd aan de deur geklopt. ik keek door het gaatje. Niemand. In dolle razernij rende ik naar de keuken en graaide ik mijn grootste vleesmes uit de lade. Daarna rende ik naar de deur. Ik keek nog eenmaal door het gaatje. Niets. Ik opende de deur. Zwaaide als een wilde met mijn vleesmes.

Hallo? Ik keek naar beneden. Ik zag een kind. Een afzichtelijk kind. Hallo pa? Ik voelde hoe een paniek zich van me meester maakte. Ik liet haar binnen. Samen met haar monsterlijke moeder. Ik zag geen andere oplossing dan mijn dochter te doden. Ik stak haar en ik stak haar. Tot het leven uit haar geweken was. Ik had mijn dochter vermoord.

Ik hoorde gehijg. En ik hoorde mijn dochter ‘hallo pa?’, zeggen, ‘dank je wel.’ Mijn dochter bedankte me omdat ze nu net als haar moeder was. Ik voelde hoe het vleesmes in mij gestoken werd, en nog eens en nog eens, tot ik dood was. Mijn dochter wilde mij ook bij haar, voor eeuwig.

Ik woon nu samen met mijn dochter en mijn afzichtelijke geliefde die mij dwingt tot orgasmes, keer op keer. Ik heb geen suikerziekte en levercirrose meer, maar mijn dood is een hel want er is ook geen alcohol voorhanden om mijn leed te verzachten

Getikt voor AQ’s verhalenwedstrijd

De regendruppel die niet durfde

Geplaatst: 7 mei, 2016 in Blog, Fictie

De wolk werd te zwaar om te blijven zweven in de lucht. Weerbarstig stuurde de wolk alle regendruppels uit zijn lijf. De regendruppels sprongen in groten getale als een fikse hoosbui naar beneden. Er was echter een regendruppel die niet durfde. Hij was nieuw en was nog nooit uit een regenwolk gesprongen. Maar de wolk was onverbiddelijk en gaf de regendruppel een duw.

De regendruppel tuimelde naar beneden en deed alles om zijn drup bijeen te houden. Doodsbang zag hij hoe het aardoppervlak razendsnel naderde. De regendruppel sloot zijn ogen om niet te hoeven meemaken hoe hij uiteen zou spetteren op het koude, kille aardoppervlak.

De druppel viel in een waterplas en hij voelde hoe hij na de val omhoog stuiterde uit de waterplas. Hij leefde nog! De waterdruppel hield zijn hebben en houden bij elkaar en wist uit de plas te ontsnappen. Hij hing nu als een dauwdruppel aan een grasspriet en waande zich veilig.

Echter, de zon begon te schijnen en de druppel voelde hoe hij kromp, verdampte. Op een zeker moment was de druppel veranderd in een vochtdeeltje dat zweefde in de lucht, licht als een veertje. Het vochtdeeltje was opgelucht dat het nog steeds leefde en niet was verdwenen door de zonnewarmte. Maar het werd avond en alles koelde af.

Het vochtdeeltje werd daardoor weer zwaarder en zwaarder en hij veranderde in een echte dauwdruppel. De dauwdruppel keek om zich heen en zag hoe hij samen met alle andere dauwdruppels als natte sterren glinsterden in de maneschijn. Wat was hij nu mooi!

De volgende ochtend verdampte de dauwdruppel weer tot een vochtdeeltje. Maar het was niet bang meer, het wist dat het niet zou verdwijnen en zou blijven bestaan. De zon scheen zo hard dat het vochtdeeltje hoger en hoger ging zweven, zo hoog dat het in een koele wolk terecht kwam.

Langzaam veranderde het vochtdeeltje weer in een regendruppel. En zoals dat met wolken gaat, werd de wolk te zwaar en moest hij alle regendruppels uit zijn lijf sturen. En de regendruppel die de vorige keer niet durfde te springen stond nu vooraan in de rij en was de eerste druppel die op de grond viel tijdens een regenbui bij jou in de buurt.