Archief voor juli, 2013

Kikkerliefde

Geplaatst: 10 juli, 2013 in Fictie

Twee kikkers raakten verliefd. Toen ze elkaar kusten veranderde een kikker in een mensenman. De mensenman probeerde met zijn geliefde te vrijen. Dit werd opgemerkt door andere mensen, die een spiernaakte man zagen die copuleerde met een kikker. De politie reed met zwaailicht en sirene naar de situatie. De geliefde van de mensenman werd geplet onder het linkervoorwiel van de politieauto. De mensenman werd meegenomen wegens kikkerverkrachting. De mensenman kwaakte bittere tranen toen hij werd verhoord. De mensenman zit nu in een inrichting alwaar hij dag en nacht kwaakt. Kwaakt om liefde, kwaakt om aandacht.

Dus als je kikkers hoort kwaken, denk dan ook eens aan de mensenman die het voor de rest van zijn leven zonder kikkerliefde moet doen.

Ook verschenen in 120woorden

Werner

Geplaatst: 9 juli, 2013 in Fictie

De dienstdoende lijkschouwer snoof opzichtig. En wees naar een scheur in de muur: “Er is nog een dooie die iets heeft uit te leggen…”

Werner was een vondeling. Zijn naam begon met een ‘W,’ omdat hij in de winter was gevonden. En Werner was gezond en wel. Voor de meeste vondelingen die in de winter gevonden werden was het al te laat, of ze stierven alsnog een miserabele dood.

In het weeshuis waar Werner opgroeide heerste een streng regime. Vanaf zijn vijfde moest Werner werken. In het washuis. Tot zijn tiende jaar acht uur per dag werken. Na zijn tiende, tot zijn zestiende jaar, achttien uur per dag. En op een keer, Werner was toen veertien, werd Werner boos. Boos op degene die hem wekte. Wekte om naar zijn werk te gaan. Want Werner was moe, doodmoe. En Werner greep hem bij de keel. En liet weer los.

En Werner kreeg straf: zweepslagen. Een zweepslag voor iedere vinger die Werner bij de keel had gegrepen, met zijn leeftijd daarbij opgeteld: negentien zweepslagen.

Daarna werd Werner nooit weer boos. Altijd stond hij zonder mokken op. Geen wanklank, geen kik. Maar goed slapen deed Werner niet meer. Nooit meer.

Werner werd zestien. En Werner mocht weg. Moest weg. Voor het eerst in zijn leven stond Werner op straat. En Werner was bang. Bang voor buitenwereld. Maar Werner zette door en overwon zijn angst. Werner zocht werk. Werk bij de bakker, werk bij de slager, werk bij timmerman, werk bij de boer. Maar er was geen werk voor Werner. En Werner klopte aan bij het weeshuis. Omdat er een baan beschikbaar was: opzichter.

Werner was een strenge, maar rechtvaardige opzichter. Werner deelde zelden zweepslagen uit. En werd verliefd. Verliefd op een weesmeisje die in het washuis werkte. Ze was veertien, en moest nog twee jaar werken. En dan kon Werner met haar trouwen. Werner droomde, Werner fantaseerde. Slapeloze nachten lang.

Winnie was een wintervondeling. Net als Werner. Winnie had allang gemerkt dat haar opzichter haar spaarde als ze even rustte. Winnie mocht langzamer werken dan alle anderen. En iedereen was jaloers op Winnie. En Winnie werd verliefd op Werner. En Winnie was blij toen ze zestien werd. Winnie kon nu met Werner trouwen.

Twee dagen na Winnies zestiende verjaardag was Winnnie getrouwd. Werner had zijn huisje keurig op orde voor Winnie. En de avond moest nog vallen toen het huwelijk werd geconsumeerd.

De volgende ochtend moest Werner weer vroeg opstaan. Werner was immers opzichter. Maar tijdens zijn huwelijksnacht was Werner in een diepe slaap gevallen. Een slaap waaruit Werner niet op tijd zou ontwaken. Werner sliep de slaap van geluk. Een slaap die je slaapt als je veilig naast je geliefde mag dromen. En dat was Winnie: zijn geliefde.

Winnie werd vroeg wakker en liep naakt naar de keuken. Winnie zette een kopje thee en smeerde een boterham. Daarna liep ze naar de slaapkamer. Werner sliep nog. Zijn borstkas rees ontspannen op en neer. Winnie probeerde Werner voorzichtig te wekken. Maar Werner sliep rustig door. Winnie schudde nog harden. En harder. En Werner ontwaakte. En greep Winnie bij de keel. Werner kneep zo hard hij kon. Want Werner was nog moe, doodmoe.

Eer Werner besefte wat er gebeurde, was Winnie al dood. Werner had de adamsappel uit Winnies keel in zijn hand. Maar dit keer was er geen straf. Werner voelde een merkwaardige opluchting: ‘Geen zweepslagen!’ En Werner besloot er voor te zorgen dat hij dit keer inderdaad niet gestraft zou worden.

En Werner metselde een muur. Zo goed en zo kwaad als het ging. Een muur waarachter Werner Winnie kon verbergen. Een muur die er voor zou zorgen dat Werner nooit weer gestraft zou worden. En toen Werner klaar was met zijn muur waarachter Winnie zou verdwijnen, kon Werner rusten. Eindelijk rusten. En Werner probeerde te slapen.

Maar Werner kon niet slapen. De slaap die Werner met Winnie mocht ervaren was weg. Erger nog, Werner kon helemaal niet meer slapen. En iedere nacht lag Werner, na zijn werk, wakker, met brandende ogen in zijn kassen. En op een nacht ontwaarde Werner een inktzwarte scheur in ‘zijn’ muur. En Werner keek eens goed naar die scheur. En Werner zag een arm uit de muur komen, uit de scheur. En de hand aan die arm wilde Werner bij de keel grijpen.

En de hand kwam dichter en dichter bij. Werner rende naar de keuken. En greep een gekarteld mes: een broodmes. Maar toen Werner in de slaapkamer terugkeerde, was de arm verdwenen. En Werner ging liggen. Op zijn bed. Met zijn broodmes in de aanslag. Klaarwakker. Maar Werner werd moe van het waken. Werner sloot zijn ogen. Heel even maar. En meteen voelde Werner de ijzeren greep van die hand. De hand uit de muur.

En Werner hakte en sneed. Harder en harder. Tot de hand op de grond viel. Het was voorbij. Alles zat onder het bloed. Alles was rood. Rood van het bloed. En Werner haalde opgelucht adem. En Werner sloot zijn ogen. Om ze nooit meer open te doen.

Werner werd gemist op zijn werk. Een collega werd gestuurd om te kijken waar Werner bleef. En de politie arriveerde nog geen half uur later: Werner was dood! Werner lag op zijn bed. Badend in het bloedrood. Met in zijn ene hand een broodmes. Naast Werner lag een afgehakte hand. Werners hand. En Werner was doodgebloed.

De diender vroeg zich af hoe Werner in godsnaam zijn hand af had kunnen snijden met een broodmes en sommeerde de lijkschouwer uit te leggen wat er was gebeurd..

Haatpartij

Geplaatst: 9 juli, 2013 in column

Het is natuurlijk gissen, maar hoeveel monsters als Siert Bruins lopen er tegenwoordig rond op onze aardkloot? Alleen al in Nederland vermoed ik dat er duizenden zouden kunnen zijn. Sluimerend als slaapcellen, wachtend op de juiste voedingsbodem. Wachten op een haatgroepering die de macht grijpt. Zoals de Nazipartij ooit in Duitsland deed.

Opeens stonden er duizenden, op het oog gewone, mensen op die bereid waren ‘in naam van het fascisme,’ miljoenen joden te vermoorden. Joden, afgeschilderd als hebzuchtige ‘untermenschen’, joden die de schuld kregen van alle financiële ellende waar de gemiddelde Duitser en Duitsland zich in bevond.

Het is natuurlijk ‘not done’ om de PVV te vergelijken met de Nazipartij. En dat doe ik dan ook niet. Maar ik constateer wel dat er haat heerst bij het naamloze/anonieme PVV-legioen. Een legioen dat wacht op een domme daad van een islam-extremist. Dat wacht op haar kans een ‘Kristallnacht’ te organiseren, en dan zoveel mogelijk moskeeën plat te branden. Knokploegen te organiseren om islamieten in elkaar te slaan. En wie weet, te vermoorden.

In Duitsland waren sommige joden zo verstandig te vluchten. In Nederland is het nog niet zover dat islamieten vluchten. Het is wel zover dat islamieten als een bedreiging worden gezien. Afgeschilderd worden als haatbaarden. En wordt er haat gevoed door rabiaat rechtse media die zonder noemenswaardige tegenspraak hun racistische gal kunnen spugen.

Over 80 jaar zien we misschien een berichtje in de krant: Allerlaatste PVV’er J.Doe in september voor de rechter.
En wordt er een vergelijking getrokken met de allang vergeten SS’er Siert Bruins.
En is er inmiddels een nieuwe haatpartij in de maak.

Eerder verschenen in Krapuul

Ik word grijs

Geplaatst: 8 juli, 2013 in column

Ik word grijs. En eigenlijk vind ik dat wel leuk. Het geeft je wat cachet. Wat volwassenheid. En daar is niks mis mee. Maar het is zoals de astrologen altijd al vertelden: zo boven, zo beneden. En dat geldt ook voor je grijze haren.

Nu hebben wij een vrij grote badkamer. Met een behoorlijk grote spiegel. Door mijn lengte zit mijn geslacht hoger dan het blad van de wastafel en kan ik op mijn gemak een schaamstreekinspectie voor de spiegel doen. En als ik mijn zaakje dan optil, zijwaarts keer en uitpluis zie ik grijze haren. En ik moet zeggen, dat is niet gedistingeerd. Het zijn rechte haren, zonder krul. En ze steken uit als de varkensharen van een pleeborstel. Ik heb de mascara nog geprobeerd, om het grijs te maskeren, maar dat werd een smeerboel. Ik heb zelfs een onderbroek moeten weggooien.

Bovendien vroeg mijn vrouw zich af waarom het potje met mascara zo snel leeg was geraakt. We hebben geen dochters, dus ik was voor haar de enige verdachte. Bovendien zoekt ze nog steeds om mijn verdwenen onderbroek.

Afscheren die handel, zegt de jeugd van tegenwoordig dan, en dat heb ik ook geprobeerd. Maar vlak na het scheren, eigenlijk al tijdens het scheren, merkte ik een ongemak op, die ik besloot te negeren. Ik maakte mijn klus netjes af. Met als eindresultaat het eerder genoemde ongemak: jeuk. Onbedaarlijke behoefte om te krabben. De hele dag die vervelende jeuk, jeuk, jeuk. En om nu mijn schaamdeel met zalfjes en oliën jeukvrij te houden, nee dat is niet mijn ding

Als ik nu iemand aan zijn of haar kruis zie krabben weet ik meteen hoe laat het is: kaalgeschoren kut of lul. ‘Ha ha, lekker puh.’ En ik doe dat dus nooit weer.

Toen mijn jeuk na enkele weken wegtrok, zag ik vooral grijze stoppels. Mijn scrotum leek op mijn ongeschoren kin. Maar dan meer als de snuit van een mandril. Werkelijk geen gezicht. Maar toen, na verloop van tijd, zag ik langzaam mijn oude, vertrouwde schaamharen gelukkig weer verschijnen. Alleen zijn ze nu nog futlozer dan ze al waren. De krul is nu helemaal weg en er zijn meer grijze haren bijgekomen.

Tegenwoordig probeer ik iedere week mijn schaamharen netjes bij te werken. Rare rechte grijze uitsteeksels een beetje wegknippen. Mijn vrouw heeft inmiddels een nieuw potje mascara. Iedere dag controleert ze, of ik het gebruikt heb. Ze kijkt dan diep in mijn ogen.

En dat ik het voor mijn schaamhaar gebruikt heb, zal ik haar nooit vertellen, want voor je het weet, weet de hele straat het.

‘Wat is er aan de hand mam?’
‘Ik moet naar de wc.’
‘Dat kun je zelf toch?’

‘Ik heb in de broek geplast,’ hoor ik mijn schoonmoeder zeggen.
‘Ga maar even naar de wc,’ hoor ik Paula antwoorden.
‘Heb je hulp nodig?’, vraag ik een beetje bedremmeld.
‘Och,’…

Ik loop naar de keuken en maak een kopje oploskoffie.
Als Paula klaar is vraag ik of ze ook een kopje koffie wil…
‘Och’…
‘Goed gedaan lieverd,’ zeg ik dan, maar Paula slaapt al weer.

Nu nog even dit stukje leed van schoonmoeder opschrijven. Omdat Paula dit zo goed verzacht. En drink mijn kopje koffie. Met een aspirientje. Het is nog geen 1 uur in de nacht. En ga ook weer slapen.

Ook verschenen in 120woorden

Geen schoolreisjes meer

Geplaatst: 7 juli, 2013 in column, Herinneringen

In de eerste 4 klassen van de lagere school gingen we dan met de bus ergens naar toe. Ik weet niet meer waar naartoe. En onderweg ergens eten. En ik zat dan kotsmisselijk tussen blije en drukdoende kinderen die lekker zaten te eten en opgetogen waren. Was ik de enige die kotsmisselijk was? Was ik de enige die liever thuis gebleven was? Ik was altijd al een buitenbeentje.

Een van de meisjes in de klas kotste altijd tijdens de nachtmis. Maar nooit in de bus, nooit met schoolreisje. Ieder jaar met kerst naar de nachtmis. Ze moest. En ieder jaar kotsen. Ieder jaar hetzelfde gestommel in de voorste banken.

Ik was ook altijd kotsmisselijk in de zwembus. Op de terugreis van zwemles werd ik altijd beroerd van de chloorlucht in de bus. En als we konden uitstappen ging ik zo vlug mogelijk naar huis. Want man, wat moest ik altijd nodig schijten na zwemles. Nooit begrepen waarom. En ik bleef nog de halve week misselijk.

In de 5e en 6e klas van de lagere school gingen we op schoolreisje naar Vlieland. Op de fiets. Kolere wat was dat een eind fietsen. Naar die kutboot. Ik was al bekaf voor we het dorp uit waren. En iedereen blij en opgetogen. Blijkbaar was ik de enige die…?

Godzijdank werd ik nooit zeeziek. Iedereen blij op de boot. Ik zat dan meestal buiten. Weg van die vervelende snotapen. Naar de Waddenzee kijken. Wegdromen. Want daar was ik goed in. Kijken naar de zeemeeuwen. De golven.

Ik denk dat ik de eerste 12 jaar van mijn leven van nature stoned was. Je kon me in een grasveldje zetten tussen de bloemetjes en de bijtjes en ik was de hele dag high van al het moois om me heen.

Het hoogtepunt van het schoolreisje naar Vlieland was ‘Levende Stratego.’ Ik haatte dat kinderachtige gedoe. Maar iedereen vond het prachtig. Tijdens levende stratego liet ik altijd merken wat ik was. En de mineurs renden dan op me af. Ik zei dan: “Boem.’ En een van de mineurs riep dan: ‘Mineur!’ En triomfantelijk werd dan mijn bomkaartje afgenomen.

Ik zat dan allang in de duinen. Weg te dromen. Tussen het helmgras. Met uitzicht over de Waddenzee. Want daar was ik goed in. Wegdromen. Mijn eigen schoolreisje. Heerlijk alleen op weg. Zweven tussen dromen en waken. Stoned van al het moois.

Op een goede dag, ik stond onder de douche, viel er iets uit mijn borstkas. Het klopte. En het glibberde als een tegenstribbelende kwal naar het afvoerputje. Ik probeerde het nog op te pakken. Mijn hart terug te stoppen. Maar het was te glibberig. Bovendien had de opening in mijn borstkas zich alweer gesloten: geen schoolreisjes meer.

Powerwijf

Geplaatst: 6 juli, 2013 in column

Het is snikheet hier in Canada. Binnen loeit de airco, buiten is het 29 graden. En zo nu en dan kijk ik door het raam naar buiten. De lucht trilt. Het vochtigheidsgehalte loopt op naar 80%. Gevoelstemperatuur 42 Graden Celsius. Geen mens te zien buiten. Behalve een paar kinderen die spelen onder de sprinkler van de buren.

En dan zie ik een prachtige dame langslopen. Prachtig modieus- en dun gekleed. Ze laat haar Chihuahua uit. Een kuitenbijtertje die je alleen veilig kan passeren met een stel scheenbeschermers.

Het meisje lijkt wat kreupel: ze loopt een beetje vreemd. ‘Hier moet je de rollator zelf betalen,’ bedenk ik met een vleugje medelijden. Als ze dichterbij komt ziet ze dat ik naar haar kijk. Ze kijkt terug. Ze lacht onbevangen. ‘Wat een powerwijf,’ mompel ik en moet even aan Lucille Werner denken, ook zo’n stoere meid zonder rollator.

Dan wijst ze naar haar voeten. Ik knik begrijpend: ‘Kreupel.’ Ze roept iets. Ik kijk haar niet begrijpend aan. Ze wijst nogmaals naar haar afwijking. ‘Ja, ja dat weet ik nu wel.’ Ze roept harder: ‘New shoes!’

Ik lach en kijk naar haar schoentjes. De hakken zijn onbegrijpelijk hoog. Spitzen zijn comfortabeler. ‘I thought you where a crippled lady,’ fluister ik haar vanachter het raam toe. ‘Pardon?’, roept ze terug. Ik steek mijn duim omhoog. Trots hobbelt ze verder.

Ik besef dat ik oud word en dat achter de geraniums zitten meer en meer zin lijkt te krijgen.

Het is zo’n klote nacht

Geplaatst: 6 juli, 2013 in Dingen van de dag

Vannacht is zo’n nacht
Dat ik denk dat ik doodga
Vannacht is zo’n nacht
Dat mijn kop explodeert
Het is zo’n klote nacht
Dat mijn maag
Zich nog een keertje
Binnenstebuiten keert.

Weer te veel gezopen
Mijn lijf is uitgedroogd
Net toen ik had besloten
Er voorlopig af te blijven
Nog nooit zoveel gezopen
Waardoor mijn maag
Zich ongegeneerd
Nog een keertje
Binnenstebuiten keert.

Het is echt afgelopen
Dit was de laatste keer
Want ik heb besloten
Er voor altijd af te blijven
Want ik ben uitgezopen
Omdat mijn maag
Zich steeds maar weer
Binnenstebuiten keert.

Morgennacht wordt het zo’n nacht
Dat ik denk dat ik doodga
Morgennacht is zo’n nacht
Dat mijn kop explodeert
Weer zo’n klote nacht
Dat mijn maag
Zich nog een keertje
Binnenstebuiten keert.

Bidsprinkhaan

Geplaatst: 4 juli, 2013 in Fictie

‘Zo moet je dat doen!’, riep ze wellustig en kneep keihard in mijn tepels.
Een beetje beduusd kneep ik terug, zo hard als ik durfde.
‘Harder!’, riep ze en sloeg me keihard op mijn achterwerk.
En ik sloeg op haar billen, zo hard als ik durfde.

‘Lafbek,’ fluisterde ze zachtjes, en boog zich voorover.
Zweet liep van haar schouders naar het puntje van een van haar tepels.
Het drupte op mijn gezicht. Heet zout dampte van haar lijf.
Toen zoog ze heel hard in mijn nek.

En ik was te laat. Zuurstofrijk bloed liep uit haar mond.
Tussen haar tanden een stukje spaghetti.
“Halsslagader!’, riep ze triomfantelijk.
Het laatste wat ik voelde was mijn orgasme.
Onze kinderen zullen weldoorvoed zijn.

Owned & Operated : Geldzucht.

Geplaatst: 3 juli, 2013 in Uncategorized