Werner

Geplaatst: 9 juli, 2013 in Fictie

De dienstdoende lijkschouwer snoof opzichtig. En wees naar een scheur in de muur: “Er is nog een dooie die iets heeft uit te leggen…”

Werner was een vondeling. Zijn naam begon met een ‘W,’ omdat hij in de winter was gevonden. En Werner was gezond en wel. Voor de meeste vondelingen die in de winter gevonden werden was het al te laat, of ze stierven alsnog een miserabele dood.

In het weeshuis waar Werner opgroeide heerste een streng regime. Vanaf zijn vijfde moest Werner werken. In het washuis. Tot zijn tiende jaar acht uur per dag werken. Na zijn tiende, tot zijn zestiende jaar, achttien uur per dag. En op een keer, Werner was toen veertien, werd Werner boos. Boos op degene die hem wekte. Wekte om naar zijn werk te gaan. Want Werner was moe, doodmoe. En Werner greep hem bij de keel. En liet weer los.

En Werner kreeg straf: zweepslagen. Een zweepslag voor iedere vinger die Werner bij de keel had gegrepen, met zijn leeftijd daarbij opgeteld: negentien zweepslagen.

Daarna werd Werner nooit weer boos. Altijd stond hij zonder mokken op. Geen wanklank, geen kik. Maar goed slapen deed Werner niet meer. Nooit meer.

Werner werd zestien. En Werner mocht weg. Moest weg. Voor het eerst in zijn leven stond Werner op straat. En Werner was bang. Bang voor buitenwereld. Maar Werner zette door en overwon zijn angst. Werner zocht werk. Werk bij de bakker, werk bij de slager, werk bij timmerman, werk bij de boer. Maar er was geen werk voor Werner. En Werner klopte aan bij het weeshuis. Omdat er een baan beschikbaar was: opzichter.

Werner was een strenge, maar rechtvaardige opzichter. Werner deelde zelden zweepslagen uit. En werd verliefd. Verliefd op een weesmeisje die in het washuis werkte. Ze was veertien, en moest nog twee jaar werken. En dan kon Werner met haar trouwen. Werner droomde, Werner fantaseerde. Slapeloze nachten lang.

Winnie was een wintervondeling. Net als Werner. Winnie had allang gemerkt dat haar opzichter haar spaarde als ze even rustte. Winnie mocht langzamer werken dan alle anderen. En iedereen was jaloers op Winnie. En Winnie werd verliefd op Werner. En Winnie was blij toen ze zestien werd. Winnie kon nu met Werner trouwen.

Twee dagen na Winnies zestiende verjaardag was Winnnie getrouwd. Werner had zijn huisje keurig op orde voor Winnie. En de avond moest nog vallen toen het huwelijk werd geconsumeerd.

De volgende ochtend moest Werner weer vroeg opstaan. Werner was immers opzichter. Maar tijdens zijn huwelijksnacht was Werner in een diepe slaap gevallen. Een slaap waaruit Werner niet op tijd zou ontwaken. Werner sliep de slaap van geluk. Een slaap die je slaapt als je veilig naast je geliefde mag dromen. En dat was Winnie: zijn geliefde.

Winnie werd vroeg wakker en liep naakt naar de keuken. Winnie zette een kopje thee en smeerde een boterham. Daarna liep ze naar de slaapkamer. Werner sliep nog. Zijn borstkas rees ontspannen op en neer. Winnie probeerde Werner voorzichtig te wekken. Maar Werner sliep rustig door. Winnie schudde nog harden. En harder. En Werner ontwaakte. En greep Winnie bij de keel. Werner kneep zo hard hij kon. Want Werner was nog moe, doodmoe.

Eer Werner besefte wat er gebeurde, was Winnie al dood. Werner had de adamsappel uit Winnies keel in zijn hand. Maar dit keer was er geen straf. Werner voelde een merkwaardige opluchting: ‘Geen zweepslagen!’ En Werner besloot er voor te zorgen dat hij dit keer inderdaad niet gestraft zou worden.

En Werner metselde een muur. Zo goed en zo kwaad als het ging. Een muur waarachter Werner Winnie kon verbergen. Een muur die er voor zou zorgen dat Werner nooit weer gestraft zou worden. En toen Werner klaar was met zijn muur waarachter Winnie zou verdwijnen, kon Werner rusten. Eindelijk rusten. En Werner probeerde te slapen.

Maar Werner kon niet slapen. De slaap die Werner met Winnie mocht ervaren was weg. Erger nog, Werner kon helemaal niet meer slapen. En iedere nacht lag Werner, na zijn werk, wakker, met brandende ogen in zijn kassen. En op een nacht ontwaarde Werner een inktzwarte scheur in ‘zijn’ muur. En Werner keek eens goed naar die scheur. En Werner zag een arm uit de muur komen, uit de scheur. En de hand aan die arm wilde Werner bij de keel grijpen.

En de hand kwam dichter en dichter bij. Werner rende naar de keuken. En greep een gekarteld mes: een broodmes. Maar toen Werner in de slaapkamer terugkeerde, was de arm verdwenen. En Werner ging liggen. Op zijn bed. Met zijn broodmes in de aanslag. Klaarwakker. Maar Werner werd moe van het waken. Werner sloot zijn ogen. Heel even maar. En meteen voelde Werner de ijzeren greep van die hand. De hand uit de muur.

En Werner hakte en sneed. Harder en harder. Tot de hand op de grond viel. Het was voorbij. Alles zat onder het bloed. Alles was rood. Rood van het bloed. En Werner haalde opgelucht adem. En Werner sloot zijn ogen. Om ze nooit meer open te doen.

Werner werd gemist op zijn werk. Een collega werd gestuurd om te kijken waar Werner bleef. En de politie arriveerde nog geen half uur later: Werner was dood! Werner lag op zijn bed. Badend in het bloedrood. Met in zijn ene hand een broodmes. Naast Werner lag een afgehakte hand. Werners hand. En Werner was doodgebloed.

De diender vroeg zich af hoe Werner in godsnaam zijn hand af had kunnen snijden met een broodmes en sommeerde de lijkschouwer uit te leggen wat er was gebeurd..

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s